Header image

18 feb 2011 | Een van de Excent tandtechnische laboratoria is het Oral Design Center Holland (ODCH). Het verzorgt diverse trainingen voor de collega Excent-laboratoria en is leidend voor hen in de keuze van porseleinmassa’s en esthetische technieken. Sinds 2001 richt dit tandtechnisch atelier uit Blaricum zich op hoogwaardig esthetisch kroon- en brugwerk. Doel bij oprichting, was ODCH als Center of Excellence te laten functioneren. Dit lijkt gelukt te zijn, nu diverse klanten van ODCH publicaties en voordrachten hebben verzorgd in binnen- en buitenland, waarbij de producten van dit tandtechnisch lab zijn gebruikt. Aldus hebben deze klanten bijgedragen aan een verdere ontwikkeling van de esthetische restauratieve tandheelkunde.

casino apps android apk

Martijn Moolenaar is een klant van ODCH die samen met Eric van de Winden regelmatig aansprekende patiëntencasussen op congressen en symposia laat zien. Van der Winden is een van de oprichters van het ODCH. Hun gezamenlijke optredens op tandheelkundige en tandtechnische congressen vormen een verdieping van de samenwerking die Moolenaar en Van der Winden aangingen ten behoeve van de vervaardiging van tandtechnische werkstukken voor hun beider ­patiënten. In die samenwerking wordt Van der Winden of een van zijn collega’s vanwege hun expertise bijna vanaf het begin bij de behandeling betrokken. Door zo nauw met elkaar samen te werken leren tandarts en tandtechnicus elkaars capaciteiten dusdanig goed kennen dat een ­volledig natuurlijk ogend resultaat binnen handbereik ligt. Dat is de wens van de patiënt die alleen genoegen met het beste neemt. Steeds meer high-end praktijken richten zich op deze patiëntencategorie.

Patiënten vol zelfvertrouwen laten lachen, dat doe je samen
Op welke manier een patiënt ook bij Moolenaar terecht komt, zijn benadering is vrijwel altijd hetzelfde. Het eerste consult heeft een vrijblijvend karakter. Moolenaar probeert er achter te komen wat de patiënt precies wil. Dat relateert hij aan de bestaande gebitssituatie waarover de patiënt vanuit de visie van de tandarts wordt geïnformeerd. Blijkt de patiënt na zo’n eerste consult interesse te hebben om de door Moolenaar gesuggereerde behandelingen te laten uitvoeren, dan wordt in een volgende afspraak alle informatie verzameld om een behandelplan op te stellen. Bij het uitwerken hiervan wordt ook een beroep gedaan op de expertise van een van de esthetische tandtechnici van ODCH, in dit geval Van der Winden. Al in dit stadium wil Moolenaar van zijn tandtechnicus weten welke materialen in de specifieke situatie van de ­patiënt gebruikt kunnen worden, wat qua ­esthetiek haal­baar is en hoe de specifieke casus te benaderen is. Die beoordeling door het ­laboratorium beperkt zich niet tot de witte ­esthetiek. Ook de roze esthetiek van de marginale gingiva en de tandvleespapillen wordt in de tand­technische overwegingen betrokken. Het spreekt voor Moolenaar vanzelf dat het oordeel van Van der Winden in menig casus een belangrijke rol speelt.

Enthousiast blijven over het vak
Van der Winden vindt dat voor elke tandheelkundige behandeling waarbij de esthetiek een doorslaggevende factor is voor het welslagen ervan, een vorm van voorafgaand overleg tussen tandtechnicus en tandarts een vereiste is. Dat lukt niet altijd, maar het moet altijd een streven zijn. Voor dat overleg zijn goede, gestandaar­diseerde foto’s cruciaal. Het is de overtuiging van Van der Winden dat elke tandarts in zijn opleiding met de basisprincipes van mondfotografie eigen moet worden gemaakt. Zonder mondfoto’s is de communicatie met het tandtechnisch laboratorium in feite te beperkt. Datzelfde geldt voor studiemodellen. Ook die zijn essentieel. Na het overleg tussen tandarts en tandtechnicus worden die studiemodellen op basis van de gesprekken opgewast en fungeren zo als blauwdruk van de behandeling. Aan de hand van de opwasmodellen wordt onder meer besloten of er in de mond minimaal geprepareerd kan worden, of er voor volkeramiek gekozen kan worden, of zirconiakappen nodig zijn om metalen opbouwen te maskeren etcetera. Dit soort opties moeten van te voren bedacht worden om niet gedurende de tandtechnische fase voor verrassingen te worden geplaatst. Niet alleen leidt dit tot meer voorspelbaar werken, maar geeft zowel de tandarts als de tandtechnicus de voldoening om het vak tandheelkunde en tandtechniek boeiend te blijven vinden.

Passende oplossingen
Voor een goede samenwerking tussen tandarts en tandtechnicus is fysieke nabijheid een pre, maar geen must. Het eerst vereiste is de wil van beiden om een bepaalde casus samen op te lossen. Als, zoals Van der Winden aangeeft, zijn klant in Londen met hem wil overleggen, dan is dat in deze digitale tijd goed te realiseren. Ook dan zijn mondfoto’s absoluut onmisbaar. Zoals een foto met een pocketsonde in situ om de tandtechnicus een beeld van de gezondheid van het parodontium te geven. Of een mond­foto die direct laat zien dat een implantaat in de gegeven situatie geen behandeloptie is. Voordat Moolenaar zich met zijn Dental Design Centrum in Blaricum vestigde, was de vrijdagmiddag voor hem de vaste tijd om met Van der Winden te overleggen. Andere klanten van ODCH kiezen ook voor een regelmatig tête-à-tête contact met een van de tandtechnische specialisten. Deze tandartsen combineren dat met een aantal dagen waarop zij zich in het ODCH bekwamen in het maken van opwasmodellen of het vervaardigen van noodvoorzieningen. De ervaring van Van der Winden is dat dit het inzicht in elkaars werk enorm vergroot. Tegelijkertijd krijgt de tandarts meer oog voor de problemen waarvoor de tandtechnicus zich nogal eens geplaatst ziet. Door een kijkje te nemen in de tandtechnische keuken wordt bijvoorbeeld het inzicht ontwikkeld dat bij een reconstructie best gekozen kan worden voor gouden kronen op de tweede molaren. Als deze keuze maar past bij de patiënt voor wie het werkstuk wordt gemaakt.

Occlusiecontrole
Passende keuzes hebben ook te maken met materiaal. Naast de biologische factoren bepalen materiaal en de verwerking daarvan de levensduur van een restauratie of reconstructie. Wat dit betreft hebben Moolenaar en Van der Winden een goed gevoel bij esthetische perskeramieken als IPS E.max of Procera Alumina. Maar ook met het sterke Procera Zirconia en enkele andere Zirkonium kapsystemen is de ervaring goed. Zij vinden dat zirkonium als materiaal ten onrechte soms enigszins kritisch wordt beoordeeld vanwege incidenteel optredende chipping. Van der Winden benadrukt dat met een juiste vorm van de kap en een passend opbakkeramiek problemen als chipping of breuk van het keramiek zich niet vaker voordoen bij zirconia dan bij andere materialen. In dit verband moet volgens tandarts en tandtechnicus de occlusie van indirecte restauraties blijvend gecontroleerd worden. Het is te
betreuren dat deze aandacht voor occlusie is weggezakt en dus ook na reconstructies niet meer gangbaar is. Net zoals het ‘ouderwetse’ reoccluderen van een volledige prothese te weinig meer wordt gedaan. Op basis van de constatering dat occlusie een dynamisch en geen statisch geheel is, controleert Moolenaar bij reconstructies eenmaal per jaar de beet. Dat kleine aanpassingen nodig zijn, blijkt regel­matig. Is er twijfel over de stabiliteit van de occlusie, dan worden opnieuw modellen gemaakt, een beetregistratie uitgevoerd en waar nodig ingeslepen. In de visie van Moolenaar is dit te prefereren boven het meegeven van een nightguard. Het vertrouwen van de patiënt wordt er niet groter op als hem of haar wordt aanbevolen om levenslang een niet al te sexy plastic bitje te dragen. Niet dat een nightguard nooit nodig is. Bij patiënten met een risico als knarsen, is er best een indicatie voor. Maar uitgangspunt blijft een goede occlusie en articulatie aanbieden met disclusie in het front, gecombineerd met de juiste materiaalkeuze.

Polijsten
Als keramist wijst Van der Winden op het probleem van de ruwe kauwvlakken na inslijpen. Vanuit zijn vak weet hij dat een hoogglans gepolijste restauratie minder abrasief is en minder kans op breuk vertoont dan een restauratie die uitsluitend met een brownie is gepolijst. Alleen hiermee polijsten is na inslijpen niet afdoende. Na inslijpen moet de restauratie net zoals in het laboratorium ook in de mond hoogglans gepolijst worden. De keramiekkenner kan de tandarts vertellen hoe je dat doet. Moolenaar gebruikt dan ook dezelfde polijstpasta als het ODCH voor het polijsten, vanzelfsprekend met de restrictie dat deze wel voor intraoraal gebruik geschikt is. De volkeramieken zijn in de pasfase trouwens lastiger in te slijpen. Dat heeft te ­maken met de aanvankelijke loose fit van deze restauraties. Dit laatste is overigens het laatste jaar sterk verbeterd. Restauraties van metaal­keramiek of van volledig metaal zijn wat dit ­betreft nog iets idealer. Bij een Zirconia-kroon is ondanks de nauwkeurigheid van de scanners de retentie van de restauratie niet als die bij een metalen kap. Vooral in de bovenkaak maakt dat het passen en inslijpen lastig. Dit geldt ook voor een porseleinen onlay, die voor het inslijpen ­eigenlijk pas goed zit als die gecementeerd is. De retentie van ­restauraties uit perskeramiek benadert die van metaal. Bij deze restauraties zijn er weer twee retentiemechanismen: de mechanische retentie en het houvast dat ­ met adhesief cementeren te bereiken is. Bij de vormgeving van de preparatie blijft de boodschap dat de mechanische retentie de belangrijkste van deze twee is.

Zo min mogelijk levend weefsel beslijpen
Het is een vraag in hoeverre de patiënt moet worden geïnformeerd over materiaalgerelateerde keuzes. De informed consent strekt zich namelijk meestal niet uit tot de exacte materiaalkeuze in relatie tot de duurzaamheid van de restauraties. De gemiddelde patiënt is vooral in esthetiek geïnteresseerd. Evenmin beseft de patiënt de consequentie van zijn keuze om bijvoorbeeld een fractioneel verkleurd maar best acceptabel natuurlijk front te laten beslijpen om puur esthetische redenen. In die situatie bespreekt Moolenaar zeker de levenslange gevolgen van de beslissing van de patiënt elementen te laten beslijpen ten behoeve van facings. Want hoe goed en fraai hij en Van der Winden deze restauraties ook kunnen maken, één keer restaureren  impliceert dat je in de loop van het leven blijft restaureren. De levensduur van restauraties kan flink verschillen, maar vroeg of laat is elke restauratie aan vervanging toe. Zonodig wordt met de patiënt vóór de behandeling indringend gesproken over het gegeven dat levend weefsel zal moeten worden opgeofferd voor esthetische doeleinden.

Spreekt het streven naar het beste voor uw patiënten u aan. Voor meer informatie belt u naar Excent Tandtechniek, 0800-3300000 of mailt u naar Info@excent.eu. Wilt u meer informatie over Martijn Moolenaar en zijn werkwijze, neem dan een kijkje opwww.ddc-blaricum.nl of bel Dental Design Center Blaricum op 035-5319996.

Get Adobe Flash playerPlugin by wpburn.com wordpress themes